Monday, June 09, 2008
Wednesday, November 24, 2004
GOOILAND VAN DE ERFGOOIERS
Het land van de Erfgooiers
Het Gooi in beeld vanaf 1700
Voorwoord
De historie van de Erfgooiers is in het verleden al op enige exposities uitgebeeld. Hierbij werd teruggegrepen op klassiek en in Erfgooierskringen inmiddels overbekend materiaal. De van 25 oktober 1997 t/m 7 februari 1998 in het Huizer Museum Het Schoutenhuis door de Stad en Lande Stichting te houden tentoonstelling wil een meer specifiek facet belichten en wel het veranderende gebruik van de gemeenschappelijke gronden, waarvan de Erfgooiers de gebruiksrechten bezaten.
In de loop van de tijd hebben die veranderingen vergaande invloed gehad op het Gooise landschap. Eertijds bestond de bevolking voornamelijk uit agrariërs, die mede dankzij die gronden hun bedrijf in stand konden houden. Lange tijd heeft deze situatie vrijwel onveranderd bestaan. Het openbreken van het Gooi door de aansluiting op het spoorwegnet in 1874 heeft tot een stormachtige ontwikkeling op velerlei gebied geleid. Er vestigden zich industrieën en de bevolking nam zeer snel toe, zodat het boerenbedrijf als vorm van bestaan een relatief steeds kleiner aandeel kreeg en thans, op een enkele uitzondering na, verdwenen is.
De tentoonstelling en deze brochure willen aan de hand van kaarten en afbeeldingen uit het verre en nabije verleden die ontwikkeling volgen. De nadruk ligt hierbij op het landschappelijke aspect.
Het vastleggen van stads- en dorpsgezichten nam vanaf de 18e eeuw een enorme vlucht. Er verschenen in die tijd boekwerken als: "Nederlandsche en Kleefsche Oudheden', de "Nederlandsche Stad- en Dorpbeschrijver" van Van Ollefen en De Bakker en de 'Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden" van Tirion. Daarin staan tal van afbeeldingen die door de betrekkelijk grote oplagen veel bekendheid genieten.
De samenstellers van de tentoonstelling hebben er naar gestreefd, minder algemeen bekend en vooral ook origineel materiaal te verzamelen. Doordat Laren en Blaricum rond de laatste eeuwwisseling een groeiende groep kunstschilders herbergden, kon de collectie prenten goed worden aangevuld met werken uit een recentere periode. De historische kaarten, waarop veel interessante zaken te ontdekken vallen, geven de ontwikkelingen goed weer.
Mijn dank gaat uit naar de bruikleengevers voor hun bereidwillige medewerking en de medewerkers van het eerdergenoemd museum voor hun enthousiaste inzet. Als 'niet Erfgooier", maar wel zeer geïnteresseerd in de geschiedenis van het Gooi, wil ik deze tentoonstelling in ieders aandacht aanbevelen.
Zeer prijzenswaardig vind ik dat ook onze schooljeugd wordt betrokken bij deze tentoonstelling en een inzicht krijgt hoe in de tijd gezien het gebruik van de gronden in het Gooi is veranderd.
De burgemeester van Huizen,
Drs. H.J. Verdier
_________________________________________
Historisch overzicht
Drs. H.A. Kos
Inleiding
Wanneer men de geschiedenis van het Gooi beschrijft, kan men niet om een speciale groep mensen en hun belangenorganisatie heen, de zogenaamde erfgooiers en de Gooise marke, later Stad en Lande van Gooiland genoemd. Eeuwenlang hebben zij vastgehouden aan hun rechten op de 'meenten', totdat in de jaren zeventig van deze eeuw een einde kwam aan de oeroude instelling. In 1977 werd de Stad en Lande Stichting opgericht. Doelstelling was het behouden en beheren van waardevolle archief-stukken en, even belangrijk het in leven houden van de geest van Stad en Lande van Gooiland. De Stichting doet dit nu al weer twintig jaar, reden genoeg om in samenwerking met het Huizer Museum Het Schoutenhuis een tentoonstelling te organiseren, getiteld; "Het land van de Erfgooiers", het Gooi in beeld vanaf 1700.
De geschiedenis van de erfgooiers gaat terug tot in de Middeleeuwen. In die periode ontstond het idee om de zogenaamde woeste gronden collectief voor eigen gebruik te houden, en werden de eerste daarvoor benodigde afspraken gemaakt. De Gooise boeren woonden toen in boerderijen rond open weideplaatsen of brinken. Elk dorp werd omringd door akkers of engen. Voor de succesvolle exploitatie van hun boerenbedrijven dienden de Gooise boeren de beschikking te hebben over de woeste gronden; weiden en heiden, bossen en venen. Een groot deel van Gooiland bestond uit dit soort gronden en de Gooise boeren hadden daar profijt van. Om deze te beschermen en te behouden verenigden zij zich rond 1300 in een marke, een soort agrarische belangenorganisatie. De leden van deze organisatie noemden zich begin achttiende eeuw 'erfgooier', en maakten aanspraak op het recht van gebruik van de woeste of gemeenschappelijke gronden in het Gooi (vandaar dat men de weilanden 'meenten' noemde). Het begrip erfgooier was sedertdien de duiding van een groep Gooise boeren die al eeuwenlang de landbouwgronden bewerkten in het Gooi, en voordien gemene lantgooiers, goede luden van Gooiland of waren werden genoemd. Het erfgooierschap was alleen voorbehouden aan meerderjarige Gooise mannen, die konden bewijzen af te stammen van een mannelijke erfgooier.
De tentoonstelling toont diverse kaarten, schilderijen, tekeningen en prenten vanaf 1700. Deze begeleidende brochure hoopt inzicht te verschaffen in de geschiedenis van het land en de erfgooiers. Tevens is hierin een catalogus opgenomen van de getoonde kaarten en afbeeldingen.
Hoofdstuk I
Het ontstaan van de Gooise marke (968-1500)
De schenking van Wichman (968)
Graaf Wichman II van Hamaland (952-973) stichtte kort na het midden van de tiende eeuw een adellijk jufferenstift (nonnenklooster) te Hoog-Elten. Hij begiftigde het stift met goederen, zowel familiegoederen als koninklijke lenen, bevestigd door Otto I (936-973). Daarvan maakte ook het Gooi deel uit. Het werd toen nog Naerdinkland genoemd, waar we overduidelijk de naam Naarden in herkennen. Het betekende zoveel als 'Het land waar de Naarders wonen'. Er werd ook wel beweerd dat de naam is afgeleid van een rechtbank, in die tijd een "ding" genoemd. Men zou dan 'Naar het ding" zijn gegaan; Naerdinkland.
Het Naerdinkland is in een niet overgeleverd jaar als koninklijk leen in handen gevallen van Wichman of diens voorouders. Derhalve kunnen we het beschouwen als oorspronkelijk koningsgoed, waar de koning zekere rechten over behield. Na de dood van Wichman ontspon zich een conflict tussen zijn twee dochters, Luitgardis en Adela. Adela voelde zich benadeeld door de omvangrijke schenkingen van haar vader aan het stift, waar bovendien haar zus Liutgardis de abdis van was. Otto III (983-1002) kon zich vinden in de aanspraken van Adela en besloot tot een verdeling van de familiegoederen. De oorspronkelijke koningsgoederen vielen buiten haar bereik en aldus bleef Naerdinkland onverdeeld Eltens bezit.
De curtis Naerdinklant
In 1129 bevestigde Lotharius III (1125-1137) het stift opnieuw in zijn bezittingen, waaronder ook die te Naerdinkland. Zeer waarschijnlijk maakte het stift gedurende de elfde eeuw een moeilijke tijd door, en was het noodzaak de bezittingen veilig te stellen. Nu wordt het Naerdinkland een curtis genoemd: het Latijnse woord voor vroonhof, het centrale gebouw van een landbouwgebied, beheerd en bestuurd door het stift Elten. Zulk een gebied viel uiteen in twee gedeelten. Enerzijds de reserve, dat ook vroonland of terra indominicata werd genoemd. Het omvatte dus een curtis of vroonhof, het uitbatingscentrum van de heer of zijn opzichter, de meier of villicus. De arbeid werd hier verricht door onvrijen (mancipia). Anderzijds de terra mansionaria of het hoevenland, waar de afhankelijke (horige) boeren hun mansi of hoeven hadden. De boeren bewerkten in gradaties van onvrijheid het land en vormden tezamen de familia of de echte (inderdaad een soort familie). Soms moesten zij diensten verrichten op het vroonland, waarvan de belangrijkste de deelname aan de bewerking van het vroonland was. Zij waren zeker geen slaven, maar gebonden aan de grond en maakten deel uit van een aparte rechtskring. Daarnaast hadden de 'echtgenoten' een belangrijk voorrecht: alleen zij mochten de woeste gronden gebruiken, zo noodzakelijk voor de exploitatie van hun bedrijven. Het is uit deze echte waar de Gooise markegenoten of erfgooiers voortkwamen.
Het jaar 1280 : Elten, Floris V en de overdracht van Naerdinkland.
In het jaar 1280 besloot de toenmalige abdis van het stift Elten Godelinde (1272-1288) om de bezittingen in Naerdinkland te verpachten. Heel goed mogelijk was de voornaamste reden, dat het veraf gelegen bezit in Naerdinkland niet of nauwelijks door het stift kon worden beheerd of beschermd. Naerdinkland lag precies tussen twee kemphanen; het graafschap Holland en het Sticht Utrecht. Daarnaast roerde zich in zijn contreien het roemruchte geslacht Van Amstel, druk doende allerlei goederen in Naerdinkland te usurperen. De machtsuitbreiding van de Van Amstels zal Godelinde overtuigd hebben afstand te doen van de gezagsrechten over Naerdinkland. Zij koos daarvoor de Hollandse graaf Floris V (1254-1296) uit, rivaal van Van Amstel, sterker en machtiger dan de toenmalige Utrechtse bisschop. Waarschijnlijk heeft Floris V ook enige druk uitgeoefend op het stift. Immers, hij trachtte niet alleen zijn gezag uit te breiden, maar, niet onbelangrijk, die van de Van Amstels te breken. Het in handen krijgen van de gezagsrechten over het Eltense Naerdinkland zou hem daarbij zeer goed van pas komen.
Uitdrukkelijk dient gezegd te worden dat het stift Elten de zaken niet verkocht, maar verpachtte: wanneer de graven van Holland hun verplichtingen niet nakwamen, dan verviel het verpachte terug aan het stift. Hoewel de graaf van Holland rechtsopvolger werd van het stift Elten, behield het stift een institutionele band met Naerdinkland, die los stond van de gezagsrechten en het graafschap Holland. De Gooise boeren beriepen zich op deze band toen de Hollandse graven hun gezag wilden laten gelden.
'Onse goeden luden van Ghoyland'
Na de verpachting van de gezagsrechten over de meeste gronden in het Gooi aan het graafschap Holland in 1280, moesten de Gooise boeren zich wel organiseren in een genootschap die de eigen belangen zou veilig stellen. Het tot 1280 genoten alleenrecht op gebruik van de woeste gronden kwam op de tocht te staan, en het was beter geen kou te vatten. In 1326 kwamen de Gooiers op eigen gezag bijeen en dat stak de toenmalige Hollandse graaf Willem 111 (1304-37). In zijn afkeuring noemt hij de Gooiers in een oorkonde 'onse goeden luden van Ghoyland (goeden = 'notabele'), die de vrijheid namen boeren die niet op de vergadering verschenen te beboeten. Het is de eerste aanwijzing van een vergadering van de marke, en tevens een aanwijzing dat de Gooise boeren zich niet zomaar een nieuw regime op lieten leggen.
Het is opvallend dat de Hollandse graven de voormalige horige boeren van het Gooi aanduidden met goeden luden van Ghoyland. Het is precies dezelfde benaming die zij gebruikten in hun oorkonden voor het Hollandse stadspatriciaat, met andere woorden, zij moesten rekening met hen houden.
De regels die de Gooiers bedachten ten aanzien van de gemeenschappelijke gronden werden opgetekend in schaarbrieven. Een schaar is een stuk land, groot genoeg om een volwassen koe voedsel te verschaffen. Al snel werd met de term schaar het maximale aantal stuks vee dat een boer mocht laten grazen op de meenten bedoeld. De Gooise boeren die hun vee op de meenten brachten werden scharenden genoemd, in tegenstelling tot zij die dat niet deden; de niet-scharenden, die echter niet van hun recht af zagen. Allengs vielen onder het zogenaamde schaarrecht vele andere zaken, die niets meer met vee te maken hadden, zoals het steken van turf (voor brandstof), het kappen van riet en biezen (voor de mandenmakerij), het kappen en sprokkelen van hout uit het bos (het maken van hekken, timmerhout) en de jacht.
De eerste schaarbrief (1404)
Aan het begin van de vijftiende eeuw besloot graaf Albrecht (1389-1404) dat het tijd was voor een nadere regeling. Gedurende de veertiende eeuw had de vergadering van de Gooise marke besloten delingen toe te staan van bepaalde gemeenschappelijke gronden. Deze werden tot bouwland gemaakt (ontgonnen). Albrecht verleende zijn goedkeuring aan de eerste schaarbrief, een overeenkomst tussen de gemene waerscip van Goylant (dat zijn de Gooise markegenoten) en de stad Naarden. Naast enkele praktische zaken, zoals het aanstellen van schaarzetters, werd bepaald dat de gemeenschappelijke gronden tot in de eeuwigheid ongedeeld dienden te blijven ( ... ongedeelt sal blijven tot ewgen daghe ... ), behalve de al overeengekomen ontginningen.
De gerechtigden
De Gooise markegenoten waren gebaat bij het tot staan roepen van de verdere opdeling van gemeenschappelijke grond, zij het dat zij daarvoor wel eerst iets anders. moesten regelen. Iets wat zij al lang wisten, dachten en altijd al zo hadden gevonden; zij waren de enigen die de gemeenschappelijke gronden mochten gebruiken.
Op het eerste gezicht valt uit de eerste schaarbrief niet duidelijk op te maken dat de gemeenschappelijke gronden alleen bestemd waren voor de Gooise markegenoten. Hoogstens kan men vaststellen dat het schaarrecht verbonden was aan het bezit van een boerenbedrijf. Er heerste aldus onduidelijkheid. De uitvaardiging van twee nieuwe schaarbrieven, respectievelijk in 1442 en 1455, maakte daar een einde aan. Het gebruik van gemeenschappelijke grond in het Gooi werd een geërfd recht, dat van vader op zoon overging. Bovendien moest men een boerenbedrijf voeren in het Gooi. De marke weerde in steeds duidelijker omschrijvingen nieuwkomers, en het lidmaatschap werd een persoonlijk recht.
De marke krijgt een naam : Stad en Lande van Gooiland
De naam Stad en Lande van Gooiland komt voor het eerst voor in 1534. Zetel was Naarden, maar meer dan bijeenkomen en schaarzetters aanwijzen deed men niet. als er iets op schrift moest worden gesteld liet men dat over aan een geestelijke. De stukken werden opgeborgen in een kist en bewaard in het stadhuis van Naarden.
De eerste resolutie (besluit) van de Vergadering Stad en Lande' komt uit 1590. In 1650 werd begonnen met een eigen resolutieboek. De vergadering ging zich bezighouden met zaken als regels tot gebruik van de meenten en heiden. De gerechtigden of markegenoten werden in deze vergadering vertegenwoordigd, met andere woorden, zij woonden deze niet meer bij zoals in vroeger tijden.
Hoofdstuk II
De lijst en kaart van 1708-1709
Begin achttiende eeuw waren de verhoudingen tussen gerechtigden en niet-gerechtigden nog steeds onduidelijk Een zekere Francois Hinloopen bevond zich eind zeventiende eeuw op een stuk land genaamd Oud-Bussem, waar eens een boerderij met schaarrecht had gestaan. Er waren twee nieuwe boerderijen op gebouwd. Eén op de plek van de door de Fransen platgebrande boerderij, één daarnaast. Alleen de eerste boerderij verkreeg schaarrecht, op basis van de idee dat het aan de grond verbonden was. Daarin woonde Michiel Hinlopen, de oom van Francois. Francois Hinlopen wilde uiteraard hetzelfde recht voor de nieuwe boerderij. Hij betaalde daarvoor een jaarlijkse vergoeding, maar in 1705 weigerde hij de betaling. Het schaarrecht zou hem net als de andere Gooiers toe moeten vallen. Daarop liet hij zijn beesten grazen op de meent, zonder betaling en zonder recht. De schaarmeesters grepen in en verklaarden zijn vee verbeurd. Dat noemde men 'schutten'. Hinlopen diende een aanklacht in, en deed dat op basis van de eerste schaarbii ef Achteraf is duidelijk waarom. De eerste schaarbrief was het minst duidelijk in Me de gemeenschappelijke gronden mocht gebruiken en verbond bijvoorbeeld het schaarrecht aan het bezit van een boerenbedrijf (zie pag. 8). Tevens beriep hij zich op het dubbele schaarrecht van de hofstede Oud-Bussem, verkregen in 1570. Echter, naast het feit dat Francois Hinlopen geen man uit man geboren Gooier was (hoe vreemd dit ook mag klinken), woonde hij niet in de boerderij waar eens de hofstede Oud-Bussern had gestaan, maar in eentje daarnaast. Hij had dus geen poot om op te staan. In 1711 en 1713 kreeg Francois Hinlopen respectievelijk van het Hof van Holland en de Hooge Raad ongelijk. In het kielzog en op instigatie van Francois Hinlopen waren er nog een aantal bewoners en landbezitters uit het Gooi die als gerechtigden erkend wilden worden. Grote problemen doemden op voor de rechtmatige erfgooiers. Hinlopen had nogal wat invloed in hogere kringen en er werd zelfs door de overheid bepaald dat de rechten van de erfgooiers door hen zonder grond aangematigd waren. Nu kwamen de erfgooiers in beweging. Zij dienden een verweerschrift in, met de woorden: 'dat niemant de gemeente mag bewyden, dan een erfgoyer wiens voorouders het recht tot den veldslag op de gemeente door haar gedane en bewese diensten aan de Graven hebben bekomen'.
Al met al bleven de zaken onduidelijk voor zowel de overheid als de leden van de Gooise marke (of Stad en Lande van Gooiland). Er werd om duidelijkheid gevraagd en besloten tot het maken van een kaart van Gooiland waarop precies te zien zou zijn waar de marke (=gemeenschappelijke) gronden lagen. Daarnaast moest een lijst van gerechtigden opgesteld worden.
Voordat de kaart klaar was lag de lijst er al. Hierop prijkten 1088 namen, als Boelhouwer, Kos en andere nu nog veel voorkomende Gooise namen. De lijst gold sedertdien als grondslag en wie gekwalificeerd wilde worden als erfgooier moest bewijzen nakomeling te zijn van een van de 1088 mannen. In 1709 kwam de kaart gereed, ver vaardigd door de landmeters Justus van Broeckhuysen en Freye Klaasz Boelhouwer. In 1719 ontstond een nieuw geschil. Dit maal ging het om de grenzen tussen Utrecht
en het Gooi. Er werd opnieuw besloten een kaart te maken. Een van de landmeters had de kaart van 1709 al eens gecorrigeerd. In 1723 kwam een tweede en herziene versie in handen van Stad en Lande en deze is te zien op de tentoonstelling. (Cat. nr. K.l.) De markegronden beslaan hier 6732 Rijnlandse morgen (een morgen is in feite de hoeveelheid land die een boer kon verbouwen in een dagdeel), omgerekend 5732 hectare.
In al zijn ijver om als niet erfgooier schaarrecht te verkrijgen schonk Hinlopen de erfgooiers de ideale mogelijkheid om voor eens en voor altijd de rijen te sluiten en de gemeenschappelijke gronden voor zichzelf te houden. We zagen dat Hinlopen zich beriep op een oud stuk, de eerste schaarbrief, die hem de argumenten gaf zijn zaak voor het gerecht te brengen. De erfgooiers op hun beurt beriepen zich op de daaropvolgende schaarbrieven en leken aan het kortste eind te trekken.
Hoofdstuk III
Toename van het aantal niet-scharenden
De koptienden
Uit de periode 1500-1800 is een rijke bron overgeleverd, het zogenaamde koptienden-archief Het is te danken aan notaris Albertus Perk (1795-1880), die ook verantwoordelijk is geweest voor de bewaring van andere belangrijke Gooise archiefstukken, Het grootste deel van het koptienden-archief bestaat uit gaderboeken uit de jaren 1502-1835. jaar in jaar uit geven deze boeken de eigenaren van de bouwlanden en een deel van de weilanden.
De koptienden werden geïnd van bouwland, dus niet van de gemeenschappelijke gronden. Oorspronkelijk waren de koptienden gewone tienden, een kerkelijke belasting die een percentage van het op het veld staande gewas bedroeg. De tienden moeten op zekere tijd omgezet zijn in een betaling van een vaste hoeveelheid rogge en gerst, afgemeten aan de hoeveelheid bouwland die men in bezit had. Men berekende dit in koppen: een kop was de hoeveelheid graan waarmee een schepel land (ongeveer een achtste hectare) kon worden ingezaaid. De Gooise koptiende bedroeg 5 kop graan per schepel land, of 20 kop per morgen. De koptienden werden in 1280 niet aan Holland overgedragen, maar behoorden toe aan de Heren van Nijenrode, van oudsher Eltense leenmannen. De benden werden van alle bouwlanden in het Gooi geïnd, zelfs van stukken grond in Loosdrecht en Kortenhoef Uit een onderzoek van Janse is gebleken dat rond 1840 degenen die landbouw bedreven, en dus koptiende betaalden, bijna allen erfgooier waren. Dat is ook logisch. Wanneer men geen recht zou hebben op gebruik van gemeenschappelijke grond (als niet-erfgooier), dan zou het niet rendabel zijn een agrarisch bedrijf te voeren in een voor de landbouw ongunstig gebied als het Gooi. Het bestaan van een groot aantal niet-scharenden wijst hier ook al op; zij moesten hun brood met ander werk verdienen, zoals de visserij, lakennijverheid (Naarden), textiel (Hilversum) en katoennijverheid en tapijtweverij. Janse heeft door bestudering van het koptienden-archief (gaderboeken) kunnen vaststellen dat de bevolking van Hilversum zich steeds meer op de textiel ging toeleggen en die van Huizen op de visserij. Belangrijk is hierbij dat zowel de textielnijverheid als de visserij, zich ontwikkelden van een nevenactiviteit in combinatie met de landbouw tot een volwaardig specialisme. Op de lijst van 1708 stonden ook al 624 niet-scharenden! Desondanks verloochenden de niet-scharenden hun afkomst niet. Sommigen konden dan wel haringen kaken of kleden weven in plaats van het scharen van vee, zij bleven erfgooier, die met evenveel energie als de scharenden vasthielden aan hun rechten.
Hoofdstuk IV
De negentiende eeuw; delingen en strijd
De delingen van 1836 en 1843
De negentiende eeuw wordt ook wel de eeuw van de markeverdelingen genoemd (tenminste, in de kring van lieden die zich met marken bezighouden). Onder invloed van de Verlichting kwam men op het idee Middeleeuwse instellingen als gilden en marken op te doeken. De overheid trachtte in 1809 bij wet de opdeling van gemeenschappelijke grond te stimuleren. Enerzijds om de ontginning van woeste gronden te bevorderen, anderzijds vanwege een veel trivialere reden; de opbrengst zou de schuldenlast waarmee Willem 1 (1772-1843) opgezadeld zat, kunnen verminderen. Uiteraard kwam men ook in het Gooi terecht
Gelijk met dit voornemen van de overheid kwam een belangrijke vraag naar boven ; hadden de boeren of markegenoten eigendoms - dan wel gebruiksrechten op de gemeenschappelijke gronden? In heel Nederland werd dit vraagstuk min of meer opgelost, behalve in het Gooi. Dat is ook niet zo vreemd. Van kindsbeen af is deze vraag gesteld, maar nimmer afdoende beantwoord. We herinneren ons een proces in de vijfbende eeuw, waar voor het eerst een soortgelijke vraag werd gesteld. Het zou nog tot 1912 duren voordat een en ander werd opgelost.
Wanneer men markegronden wilde opdelen, of liever gezegd ontginnen of tot bouwland maken, dan had men de instemming van de meerderheid der vergadering nodig. Aldus togen de erfgooiers op 23 januari 1811 naar de Grote Kerk te Naarden om over de voorgenomen delingen te beraadslagen. De erfgooiers verklaarden zich eensgezind tegen de delingen.
De overheid kreeg uiteindelijk toch wat zij wilde, getuige de delingen van 1836 en 1846; stukken gemeenschappelijke grond uit het Gooi. In ruil schonk zij de Gooise marke het volle eigendom over het grootste deel van de gemeenschappelijke gronden. Deze overeenkomsten zorgden voor een kleine stortvloed aan geschriften waarin de rechtspositie e van de erfgooiers werd beschreven. Dit gebeurde niet alleen uit belangstelling. De ingenieur Backer had met zijn brochure Iets over Gooiland iets heel anders voor ogen. Backer zag zijn ontginningsplannen gedwarsboomd in 1846, en besloot middels het geschrift toch een en ander voor elkaar te krijgen. Ook eerder genoemde Albertus Perk klom in de pen. Hij schreef een Verslag omtrent den oorsprong der gebruiksrechten op de heiden en weiden in Gooiland. Er werden allerhande kwalificabes aan de Gooise marke toegekend, zoals grondheerlijke marke, vrije marke enzovoort. Zelfs heden ten dage zijn er nog onzekerheden en discussiepunten omtrent de rechts~ positie van de erfgooiers. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de grondslagen van de Gooise marke in de Eltense periode liggen (968-1280). Echter in tegenstelling tot heden was het probleem in de negentiende eeuw urgent, en moest dus opgelost worden.
Wanordelijk bestuur
Met de toenemende vestiging van 'buitenlui' in het Gooi gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw was het slechts afwachten totdat zij door zouden dringen in de gemeentebesturen, en daarmee in de vergadering van Stad en Lande. Het gevaar bestond dat erfgooiers door niet-erfgooiers bestuurd zouden worden. Bovendien werden de belangen van de boeren niet goed behartigd. De markegenoten werden niet meer in een vergadering bijeen geroepen om het handelen van het markebestuur te controleren, zoals gebruikelijk was in de Middeleeuwen. Tevens was de vergadering Stad en Lande niet meer op de juiste manier samengesteld. De bestuurders werden niet meer gekozen en als schaarmeesters aangesteld, maar kwamen voort uit de stad en de dorpen. Deze traden meer op als beheerders, waren weliswaar erfgooier, doch men kan geen twee heren dienen. Verkoop van stukken heide was aan de orde van de dag, maar dat schaadde de scharenden niet, en de nietscharenden roerden zich niet of nauwelijks.
Harmen Vos is het haasje
Hoe onbenullig het schieten van een haas ook lijkt, het zette de hiervoor geschetste zaken in volle gang. Eind negentiende eeuw was Harmen Vos op jacht gegaan, of misschien had hij toevallig zijn geweer in de aanleg in ieder geval schoot hij een haas dood. Harmen beging hiermee een overtreding: de jacht op de gemeenschappelijke gronden was verpacht aan de kroon. Harmen werd voor het gerecht gebracht en daar verklaarde hij zich onschuldig. Hij had immers op 'eigen grond' een haas geschoten en bovendien verklaarde hij dat Stad en Lande niet bevoegd zou zijn geweest de jacht te verpachten. Ook hier greep men terug op regelingen en bepalingen uit een ver doch vers in het geheugen gelegen verleden.
De Grote Raad van Mechelen had in 1474 besloten dat het jachtrecht uitsluitend aan de landsheer toeviel. In 1657, een goede anderhalve eeuw later, besloot Stad en Lande dat voor het eerst is goetgevonden en verstaan, dat niemand in Gooylandt sal mogen eenige jacht gebruyken, of schieten, ten sy dat hy t'recht hebbe van de gemeente (=marke)'. Aldus kleefde aan het erfgooierschap het recht van de jacht. Stadhouder Willem IH (1650-1702) stak een stokje voor het jachtrecht van de erfgooiers. In 1796 verkregen de erfgooiers dit recht terug. Echter, de vergadering Stad en Lande had, zoals gezegd, het jachtrecht verpacht aan de overheid en daarmee broodroof gepleegd op Harmen en diens medejagers. Er werd een rechtelijk kunstje opgevoerd. Strafrechtelijk werd Harrnen veroordeeld, civielrechtelijk niet, zodat enerzijds Stad en Lande verlost was van een langdurig proces, anderzijds Harmen verder kon jagen.
Een erfgooier doodgeschoten
Het incident met de haas van Harmen lijkt op het eerste gezicht nogal onschuldig, maar wordt ernstiger wanneer we de daarop ontstane conflicten bezien. In 1900 werd een vergadering belegd van ontevreden erfgooiers. Onder leiding van Machiel Janszoon Majoor werd besloten dat de Vergadering Stad en Lande niet langer het bestuur over de gemeenschappelijke gronden zou hebben. Het was tijd voor een nieuw bestuur, geheel toegewijd aan de belangen van de erfgooiers. De nieuwe partij, al snel onder leiding van Floris Vos, stond haaks tegenover de oude Vergadering van Stad en Lande. Op de schaardag van 1903 (de dag waarop de beesten naar de meent werden gebracht, waarna een bedrag of schaargeld verschuldigd was aan de schaarmeesters, die vervolgens de beesten van een brandmerk voorzagen) weigerde Hendrik van Chris Smit' het verschuldigde schaargeld te betalen. Het vee van Hendrik ging zonder brandmerk de meent op. De burgemeester van Blaricum ging over tot een radicaal middel. Hij gaf een door hem opgetrommeld detachement soldaten het bevel tot vuren. Hendrik werd getroffen en liet het leven. Zijn laatste woorden schijnen geweest te zijn: 'Ze zullen je op je eigen grond niet doodschieten. Dat durven ze niet’. Of de soldaten de moed hadden te vuren of die juist niet hadden om een bevel te negeren, laten we in het midden. Het trieste voorval leverde de erfgooiers alleen een martelaar op, maar nog geen oplossing voor hun problemen.
Floris Vos en diens aanhangers waren des duivels en vastberaden de strijd voort te zetten. Het bestuur van de nieuwe partij werd nu Hoofdbestuur van de Berechtigden tot de gemeene heiden en weiden van Gooiland genoemd. Zij stelden bijvoorbeeld hun eigen meentmeesters (daarvoor schaarmeesters/zetters genoemd) aan. Het was de inleiding voor meerdere conflicten.
Voor de volgende schaardag kon (1904), begrijpelijk alleen maar gevreesd worden. De oude vergadering liet onder protest het vee toe op de meenten, en elke boer betaalde schaargeld aan zijn eigen partij. De schaardag verliep rustig. Het was weer de Burge~ meester van Blaricum die zich niet bij de nieuwe verhoudingen wenste neer te leggen. Niet gebrandmerkte beesten werden door de burgemeester ter hulp ingeroepen rijkspolitie verwijderd. Waarschijnlijk even koppig als zijn opponent lief Floris Vos zich bij deze gelegenheid arresteren. In 1905 leek de winst te gaan naar de oude partij. De overheid schaarde zich achter de oude vergadering en de nieuwe partij moest betalen of het vee elders laten scharen. Het lukte de nieuwe partij om zestig koeien illegaal op de meenten te brengen, het lukte ingehuurde krachten van de oude vergadering ze er weer af te jagen; vervolgens liep het vee buiten de hekken, er volgden woordenwisselingen en vechtpartijen, kortom, de zaak vroeg om ingrijpen van hogerhand.
Hoofdstuk V
De erfgooierswet van 1912.
De erfgooierswet van 1912 is een unicum. Waar andere marken opgehouden waren te bestaan, voerde de Tweede Kamer een speciale wet in die het voortbestaan van de Gooise marke waarborgde.
In eerste instantie kreeg de nieuwe partij de wind van voren. De ministers van Binnenlandse zaken en Justitie noemden de oppositie (de nieuwe partij) een stel ontevreden erfgooiers, wier actie onwettig was. Evenwel waren zij bereid een bijdrage te leveren aan de oplossing van het geschil. Al snel keerden de zaken. De door de erfgooiers aangevoerde feiten werden erkend en er moest een speciale wet in het leven worden geroepen. Tijdens het ontwerp van de wet moest de overheid onpartijdigheid in acht nemen. Dit deed zij niet. De zaak duurde maar voort en toen er een nieuw kabinet aantrad zag men opnieuw de noodzaak in het geschil op te lossen. Nu kwam de moeilijkheid naar voren hoe men de Gooise marke moest duiden. De Gooise marke paste in geen enkel opzicht in het bestaande recht! Deze constatering maakt duidelijk waar nu al die onenigheid vandaan kwam.
De jurist Gratama ging aan de slag en voegde bij zijn wetsontwerp een geschiedkundige bijlage. Er moest rekening gehouden worden met de belangen van vier groepen: De Vergadering of oude partij, De Gemeenten of nieuwe partij, de scharenden en de niet-scharenden (de markegenoten).
De wet van 1912 kende aan een Vereniging Stad en Lande van Gooiland de eigendom toe van de gemene weiden en heiden. Het doel van de vereniging was het bevorderen van de welvaart van de erfgooiers in het bijzonder en die van Gooiland in het algemeen, met de nadruk op het landbouwbedrijf Voorzitter werd Emil Luden, de 'commandant van Stad en Land'.
Ook nu was het belangrijk de voorwaarden tot lidmaatschap te regelen. Aan het erfgooierschap als zodanig werd niet getornd.
Om op de jaarlijks opgestelde ledenlijst te komen moest men aan de volgende voorwaarden voldoen:
- men moest bewijzen af te stammen van een erfgooier, in mannelijke lijn, Mens naam ook al op eerder opgemaakte lijsten stond.
- men moest wonen in een der Gooise gemeenten.
- men moest meerderjarig zijn en boven dien van het mannelijk geslacht.
Bij dit alles moest men vermelden of men wel of niet schaarde. Scharenden waren zij die een boerenbedrijf hadden, gehuwd waren, eigen erf of stalling bezaten en daar regelmatig eigen vee of paarden in lieten vertoeven. Zij die schaarrecht ontleenden aan hofsteden werden ook tot de vereniging toegelaten. Daar hoefden zij geen erfgooier voor te zijn.
Aldus werd de positie van de erfgooiers bij wet geregeld. Hoe tegenstrijdig het ook mag klinken, het was tevens de eerste aanzet tot ontbinding en opheffing van de aloude instelling.
Het bestuur
De wet van 1912 hield rekening met de voorgeschiedenis. Het bestuur van de vereniging Stad en Lande zou dankzij de wet niet meer bestaan uit niet-erfgooiers, maar uit echte erfgooiers.
Er was naast een bestuur een vergadering, bestaande uit scharenden en niet-scharenden. Zij hadden gelijk stemrecht. In de loop der tijd was het aantal niet-scharenden enorm toegenomen. Het was niet rendabel voor iedereen om een boerenbedrijf te voeren, en velen zochten hun heil in andere beroepen (zie boven). Zij hielden evenwel hun recht als erfgooier levend. Een probleem zou zijn dat de niet-scharenden automatisch een meerderheid zouden verkrijgen bij eventuele stemmingen. Daarom werd de vergadering een beperkte bevoegdheid toegekend. In plaats van de schaarbrieven werden nu 'reglementen van gebruik en genot voorgelegd aan de vergadering, naast de jaarlijkse rekening en de verantwoording. De vergadering moest hier zijn goedkeuring aan geven. In feite stond de vergadering, dus de eigenlijke markegenoten, buitenspel. Bij afkeuring van de jaarrekening kon het bestuur hogerop gaan en deze aan Gedeputeerde Staten voorleggen.
In het bestuur waren zes zetels vrijgehouden voor de Gooise gemeenten: Blaricum, Laren, Huizen, Bussum, Hilversum en Naarden. Bovendien kozen de scharende erfgooiers uit die gemeenten een vertegenwoordiger, de niet-scharenden mochten twee leden aanwijzen. Een laatste lid, de voorzitter, werd door de Kroon benoemd. In totaal maakt dat vijftien bestuursleden.
Hoofdstuk VI
De ontbinding van een 'onstoffelijk cultuurmonument
De wet van 1912 was een wet voor de scharenden. De niet-scharenden konden niet of nauwelijks meer profiteren van hun erfgooierschap. Het enige wat nog iets zou opleveren was de verkoop van grond en radicaler, de ontbinding van de vereniging. Het mag duidelijk zijn dat de scharenden daar weinig zin in hadden. Zij hoefden daar voorlopig ook niet voor te vrezen. De wet bood op dat punt voldoende bescherming. Niet alleen moest voor een ontbinding goedkeuring aan de Kroon worden gevraagd, daarnaast moest de helft van de leden goedkeuring verlenen, en de helft van de scharenden! Bovendien was aan de niet-scharenden het recht van initiatief ontnomen, met andere woorden, alleen het bestuur tezamen met veertig scharende leden kon een voorstel tot ontbinding indienen.
Het is niet verwonderlijk dat de groep nietscharenden aanspraak begon te maken op geldelijke uitkeringen. Voor de scharenden was alles prima geregeld. De grootte van de schaar was opgetrokken van zeven naar zestien beesten, de meenten waren aanzienlijk verbeterd en in blokken verdeeld, zodat het vee niet meer dwars door elkaar liep, en bovendien had Stad en Lande de zorg voor het onderhoud van weiland, hekken en sloten op zich genomen. De niet-scharenden zagen al het binnenkomende geld verdwijnen in dit soort zaken en waren het beu.
Toen in 1933 de heiden en delen van de bossen aan de Stichting Goois Natuurreservaat werden verkocht melden zich veel zogenaamde 'slapende' erfgooiers; er viel namelijk voor het eerst wat uit te keren. Iedere gerechtigde (men heeft een genealoog te hulp moeten roepen om de afkomst vast te stellen of te controleren) ontving een bedrag van ruim vijfhonderd gulden. Het is gemakkelijk voor te stellen wat dat in die tijd (crisistijd) betekende voor de erfgooiers. Sindsdien stelde het bestuur een presentiegeld in voor elke erfgooier die op de vergadering verscheen.
Macht door Recht
De wet van 1912 en de verkoop van heide en bos zorgde er voor dat de Vereniging Stad en Lande van Gooiland zich voornamelijk bezig kon houden met de scharenden, zij die het boerenbedrijf uitoefenden. Blijvend was de ontevreden groep nietscharenden. Door hen werd al in 1922 een belangenvereniging opgericht, met als naam Macht door Recht. Voornaamste doel was het verkrijgen van voordeel van het erfgooierschap, met andere woorden, uitkeringen zoals in 1933. Door de toenemende bevolking en daarmee de woningnood kreeg Macht door Recht in de jaren vijftig een uitgelezen kans haar jarenlange herhaalde voorstel tot ontbinding nieuw leven in te blazen. De engen van Hilversum en Bussum waren grotendeels al opgeofferd aan woningbouw en vele lieden in het Gooi beoefenden een ander beroep dan landbouwer of veehouder. Het aantal scharenden liep met de jaren terug.
Feitelijke ontbinding
Het was zo langzamerhand wel duidelijk geworden. De hamvraag werd gesteld en er werd een commissie van onderzoek ingesteld. Men koos voor ontbinding om een aantal voor de hand liggende redenen; de boeren waren al veel akkerland kwijt en misten delen van de meenten, bovendien zou de woningbouw nog eens meer dan de helft van de meenten opeisen. Belangrijk is ook het minimumbestaan van veel kleine boeren. Er moesten, voordat men tot ontbinding over kon gaan, wel wat wijzigingen in de wet van 1912 worden aangebracht, maar het tij was niet meer te keren. Bijna alle erfgooiers stemden in met de ontbinding, vooral de niet-scharenden. In juli 1971 gaven de scharenden en de niet~scharenden hun goedkeuring. In 1972 werd de ledenlijst bevroren; nadien zou er geen 'echte' erfgooier meer bij kunnen komen. Een nieuwe tweedeling ontstond onder de scharenden. Ongeveer de helft van hen koos voor een uitkering in geld, de zogenaamde 'wijkers', de anderen konden voor een relatief laag bedrag delen van de meent in bezit krijgen, de 'blijvers'.
Het was juridisch niet zo gemakkelijk om een oeroude instelling als de Gooise marke, erfgooiersorganisatie of Vereniging van Stad en Lande van Gooiland te ontbinden. Daarnaast bestond natuurlijk de twijfel of het verantwoord was een instelling van die ouderdom, met een zo rijke historie, wel op zou kunnen doeken. Veel erfgooiers stemden met pijn in het hart voor ontbinding.
De jurist Moorman van Kappen noemde de erfgooiersorganisatie een 'onstoffelijk cultuurmonument. We kunnen ons hier alleen maar bij aansluiten.
Het is wat stil geworden rond de erfgooiers. De tentoonstelling "Het land van de erfgooiers' hoopt de belangstelling weer wat aan te wakkeren. Er zijn de laatste jaren geen studies meer verschenen over het Gooi of de erfgooiers. Er is echter nog veel te doen. Nog vijf jaar en dan bestaat de Stichting Stad en Lande vijfentwintig jaar..
Literatuurlijst
Abrahamse, C.M., e.a. (red), Ach Lieve Tijd. Duizend jaar het Gooi en de Gooiers (Zwolle, 1993)
Enklaar, D.Th., Middeleeuwse rechtsbronnen van Stad en Lande van Gooiland. Werken der vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het oud-Vaderlandse recht, deel 3 (Utrecht, 1932).
Enklaar, D.Th. & de Vrankrijker, AJ.C., Geschiedenis van Gooiland 1-111 (Amsterdam, 1939-41).
Janse, K.P.J., De koptienden als bron voor de economische geschiedenis van het Gooi, 1500-1850, in: Economisch -en sociaal-historisch jaarboek (deel 55, Amsterdam, 1992). pp. 36-71.
Kist, N.C. Het necrologium en het tijnsboek van het adellijk jufferenstift te Hoog-Elten, in: Nieuw archief voor kerkelijke geschiedenis inzonderheid van Nederland, band 11 (1854), pp. 136-175.
Kos, HA, De exploitatie van het goederenbezit van het adellijk jufferenstift te Hoog-Elten (968-ca. 1450). Klassieke hoven in de Noordelijke Nederlanden? (ongepubliceerde doctoraal-scriptie Vakgroep Middeleeuwse Geschiedenis, Universiteit van Amsterdam, 1996).
Kos, H.A., De Gooise marke. Opvolger van de curtis Nerdinklant in: Tussen Vecht en Eem. Tijdschrift voor regionale geschiedenis (december, 1996) pp. 195-200.
Kos, HA, Van der Scharinge. De Middeleeuwse schaarbrieven van de Gooise marke, in: Tussen Vecht en Eem. Tijdschrift voor regionale geschiedenis (september, 1997).
Leupen, P.H.D., De Erfgooiers: vrij of onvrij? Een probleem nader bekeken, in: Tussen Vecht en Eem. Tijdschrift voor regionale geschiedenis (september, 1995) pp. 135-139.
Palmboom, E.N., De Gooise koptienden, tiend of tijns?, in: Tussen Vecht en Eem. Tijdschrift voor regionale geschiedenis (december, 1993) pp. 188-195.
Slicher van Bath, B.H., Studiën betreffende de agrarische geschiedenis van de Veluwe in de Middeleeuwen, in: A.A.G. Bijdragen 11 (1964) pp. 13-78.
De Vrankrijker, AJ.C., Stad en Lande van Gooiland. Geschiedenis en problemen van de erfgooiers 968-1968 (Bussum, 1968).*
De Vrankrijker, A.J.C., Nieuwste geschiedenis van Gooiland 1925-1975 (Schiedam, 1976).*
* De auteur is met betrekking tot de nieuwe tijd ernstig schatplichtig aan Dr. A.J.C. de Vrankrijker.
De foto's bij dit historisch overzicht zijn afkomstig uit het archief van de Stad en Lande Stichting tenzij anders vermeld.
_________________________
Het wapen van Stad en Lande van Gooiland
____________________________________
Artikel van Drs. Anton Kos, met zijn toestemming, op deze weblog gezet
door F.J.J. de Gooijer
------------------------------------------
http://gooijer.netfirms.com/
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl/
Voor afbeeldingen en foto's, zie:
http://gooiland.vijftigplusser.com/
De Gooise Marke (English)
http://socserv.mcmaster.ca/~econ/ugcm/3ll3/laveleye/PrimProp21.htm
Het Gooi in beeld vanaf 1700
Voorwoord
De historie van de Erfgooiers is in het verleden al op enige exposities uitgebeeld. Hierbij werd teruggegrepen op klassiek en in Erfgooierskringen inmiddels overbekend materiaal. De van 25 oktober 1997 t/m 7 februari 1998 in het Huizer Museum Het Schoutenhuis door de Stad en Lande Stichting te houden tentoonstelling wil een meer specifiek facet belichten en wel het veranderende gebruik van de gemeenschappelijke gronden, waarvan de Erfgooiers de gebruiksrechten bezaten.
In de loop van de tijd hebben die veranderingen vergaande invloed gehad op het Gooise landschap. Eertijds bestond de bevolking voornamelijk uit agrariërs, die mede dankzij die gronden hun bedrijf in stand konden houden. Lange tijd heeft deze situatie vrijwel onveranderd bestaan. Het openbreken van het Gooi door de aansluiting op het spoorwegnet in 1874 heeft tot een stormachtige ontwikkeling op velerlei gebied geleid. Er vestigden zich industrieën en de bevolking nam zeer snel toe, zodat het boerenbedrijf als vorm van bestaan een relatief steeds kleiner aandeel kreeg en thans, op een enkele uitzondering na, verdwenen is.
De tentoonstelling en deze brochure willen aan de hand van kaarten en afbeeldingen uit het verre en nabije verleden die ontwikkeling volgen. De nadruk ligt hierbij op het landschappelijke aspect.
Het vastleggen van stads- en dorpsgezichten nam vanaf de 18e eeuw een enorme vlucht. Er verschenen in die tijd boekwerken als: "Nederlandsche en Kleefsche Oudheden', de "Nederlandsche Stad- en Dorpbeschrijver" van Van Ollefen en De Bakker en de 'Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden" van Tirion. Daarin staan tal van afbeeldingen die door de betrekkelijk grote oplagen veel bekendheid genieten.
De samenstellers van de tentoonstelling hebben er naar gestreefd, minder algemeen bekend en vooral ook origineel materiaal te verzamelen. Doordat Laren en Blaricum rond de laatste eeuwwisseling een groeiende groep kunstschilders herbergden, kon de collectie prenten goed worden aangevuld met werken uit een recentere periode. De historische kaarten, waarop veel interessante zaken te ontdekken vallen, geven de ontwikkelingen goed weer.
Mijn dank gaat uit naar de bruikleengevers voor hun bereidwillige medewerking en de medewerkers van het eerdergenoemd museum voor hun enthousiaste inzet. Als 'niet Erfgooier", maar wel zeer geïnteresseerd in de geschiedenis van het Gooi, wil ik deze tentoonstelling in ieders aandacht aanbevelen.
Zeer prijzenswaardig vind ik dat ook onze schooljeugd wordt betrokken bij deze tentoonstelling en een inzicht krijgt hoe in de tijd gezien het gebruik van de gronden in het Gooi is veranderd.
De burgemeester van Huizen,
Drs. H.J. Verdier
_________________________________________
Historisch overzicht
Drs. H.A. Kos
Inleiding
Wanneer men de geschiedenis van het Gooi beschrijft, kan men niet om een speciale groep mensen en hun belangenorganisatie heen, de zogenaamde erfgooiers en de Gooise marke, later Stad en Lande van Gooiland genoemd. Eeuwenlang hebben zij vastgehouden aan hun rechten op de 'meenten', totdat in de jaren zeventig van deze eeuw een einde kwam aan de oeroude instelling. In 1977 werd de Stad en Lande Stichting opgericht. Doelstelling was het behouden en beheren van waardevolle archief-stukken en, even belangrijk het in leven houden van de geest van Stad en Lande van Gooiland. De Stichting doet dit nu al weer twintig jaar, reden genoeg om in samenwerking met het Huizer Museum Het Schoutenhuis een tentoonstelling te organiseren, getiteld; "Het land van de Erfgooiers", het Gooi in beeld vanaf 1700.
De geschiedenis van de erfgooiers gaat terug tot in de Middeleeuwen. In die periode ontstond het idee om de zogenaamde woeste gronden collectief voor eigen gebruik te houden, en werden de eerste daarvoor benodigde afspraken gemaakt. De Gooise boeren woonden toen in boerderijen rond open weideplaatsen of brinken. Elk dorp werd omringd door akkers of engen. Voor de succesvolle exploitatie van hun boerenbedrijven dienden de Gooise boeren de beschikking te hebben over de woeste gronden; weiden en heiden, bossen en venen. Een groot deel van Gooiland bestond uit dit soort gronden en de Gooise boeren hadden daar profijt van. Om deze te beschermen en te behouden verenigden zij zich rond 1300 in een marke, een soort agrarische belangenorganisatie. De leden van deze organisatie noemden zich begin achttiende eeuw 'erfgooier', en maakten aanspraak op het recht van gebruik van de woeste of gemeenschappelijke gronden in het Gooi (vandaar dat men de weilanden 'meenten' noemde). Het begrip erfgooier was sedertdien de duiding van een groep Gooise boeren die al eeuwenlang de landbouwgronden bewerkten in het Gooi, en voordien gemene lantgooiers, goede luden van Gooiland of waren werden genoemd. Het erfgooierschap was alleen voorbehouden aan meerderjarige Gooise mannen, die konden bewijzen af te stammen van een mannelijke erfgooier.
De tentoonstelling toont diverse kaarten, schilderijen, tekeningen en prenten vanaf 1700. Deze begeleidende brochure hoopt inzicht te verschaffen in de geschiedenis van het land en de erfgooiers. Tevens is hierin een catalogus opgenomen van de getoonde kaarten en afbeeldingen.
Hoofdstuk I
Het ontstaan van de Gooise marke (968-1500)
De schenking van Wichman (968)
Graaf Wichman II van Hamaland (952-973) stichtte kort na het midden van de tiende eeuw een adellijk jufferenstift (nonnenklooster) te Hoog-Elten. Hij begiftigde het stift met goederen, zowel familiegoederen als koninklijke lenen, bevestigd door Otto I (936-973). Daarvan maakte ook het Gooi deel uit. Het werd toen nog Naerdinkland genoemd, waar we overduidelijk de naam Naarden in herkennen. Het betekende zoveel als 'Het land waar de Naarders wonen'. Er werd ook wel beweerd dat de naam is afgeleid van een rechtbank, in die tijd een "ding" genoemd. Men zou dan 'Naar het ding" zijn gegaan; Naerdinkland.
Het Naerdinkland is in een niet overgeleverd jaar als koninklijk leen in handen gevallen van Wichman of diens voorouders. Derhalve kunnen we het beschouwen als oorspronkelijk koningsgoed, waar de koning zekere rechten over behield. Na de dood van Wichman ontspon zich een conflict tussen zijn twee dochters, Luitgardis en Adela. Adela voelde zich benadeeld door de omvangrijke schenkingen van haar vader aan het stift, waar bovendien haar zus Liutgardis de abdis van was. Otto III (983-1002) kon zich vinden in de aanspraken van Adela en besloot tot een verdeling van de familiegoederen. De oorspronkelijke koningsgoederen vielen buiten haar bereik en aldus bleef Naerdinkland onverdeeld Eltens bezit.
De curtis Naerdinklant
In 1129 bevestigde Lotharius III (1125-1137) het stift opnieuw in zijn bezittingen, waaronder ook die te Naerdinkland. Zeer waarschijnlijk maakte het stift gedurende de elfde eeuw een moeilijke tijd door, en was het noodzaak de bezittingen veilig te stellen. Nu wordt het Naerdinkland een curtis genoemd: het Latijnse woord voor vroonhof, het centrale gebouw van een landbouwgebied, beheerd en bestuurd door het stift Elten. Zulk een gebied viel uiteen in twee gedeelten. Enerzijds de reserve, dat ook vroonland of terra indominicata werd genoemd. Het omvatte dus een curtis of vroonhof, het uitbatingscentrum van de heer of zijn opzichter, de meier of villicus. De arbeid werd hier verricht door onvrijen (mancipia). Anderzijds de terra mansionaria of het hoevenland, waar de afhankelijke (horige) boeren hun mansi of hoeven hadden. De boeren bewerkten in gradaties van onvrijheid het land en vormden tezamen de familia of de echte (inderdaad een soort familie). Soms moesten zij diensten verrichten op het vroonland, waarvan de belangrijkste de deelname aan de bewerking van het vroonland was. Zij waren zeker geen slaven, maar gebonden aan de grond en maakten deel uit van een aparte rechtskring. Daarnaast hadden de 'echtgenoten' een belangrijk voorrecht: alleen zij mochten de woeste gronden gebruiken, zo noodzakelijk voor de exploitatie van hun bedrijven. Het is uit deze echte waar de Gooise markegenoten of erfgooiers voortkwamen.
Het jaar 1280 : Elten, Floris V en de overdracht van Naerdinkland.
In het jaar 1280 besloot de toenmalige abdis van het stift Elten Godelinde (1272-1288) om de bezittingen in Naerdinkland te verpachten. Heel goed mogelijk was de voornaamste reden, dat het veraf gelegen bezit in Naerdinkland niet of nauwelijks door het stift kon worden beheerd of beschermd. Naerdinkland lag precies tussen twee kemphanen; het graafschap Holland en het Sticht Utrecht. Daarnaast roerde zich in zijn contreien het roemruchte geslacht Van Amstel, druk doende allerlei goederen in Naerdinkland te usurperen. De machtsuitbreiding van de Van Amstels zal Godelinde overtuigd hebben afstand te doen van de gezagsrechten over Naerdinkland. Zij koos daarvoor de Hollandse graaf Floris V (1254-1296) uit, rivaal van Van Amstel, sterker en machtiger dan de toenmalige Utrechtse bisschop. Waarschijnlijk heeft Floris V ook enige druk uitgeoefend op het stift. Immers, hij trachtte niet alleen zijn gezag uit te breiden, maar, niet onbelangrijk, die van de Van Amstels te breken. Het in handen krijgen van de gezagsrechten over het Eltense Naerdinkland zou hem daarbij zeer goed van pas komen.
Uitdrukkelijk dient gezegd te worden dat het stift Elten de zaken niet verkocht, maar verpachtte: wanneer de graven van Holland hun verplichtingen niet nakwamen, dan verviel het verpachte terug aan het stift. Hoewel de graaf van Holland rechtsopvolger werd van het stift Elten, behield het stift een institutionele band met Naerdinkland, die los stond van de gezagsrechten en het graafschap Holland. De Gooise boeren beriepen zich op deze band toen de Hollandse graven hun gezag wilden laten gelden.
'Onse goeden luden van Ghoyland'
Na de verpachting van de gezagsrechten over de meeste gronden in het Gooi aan het graafschap Holland in 1280, moesten de Gooise boeren zich wel organiseren in een genootschap die de eigen belangen zou veilig stellen. Het tot 1280 genoten alleenrecht op gebruik van de woeste gronden kwam op de tocht te staan, en het was beter geen kou te vatten. In 1326 kwamen de Gooiers op eigen gezag bijeen en dat stak de toenmalige Hollandse graaf Willem 111 (1304-37). In zijn afkeuring noemt hij de Gooiers in een oorkonde 'onse goeden luden van Ghoyland (goeden = 'notabele'), die de vrijheid namen boeren die niet op de vergadering verschenen te beboeten. Het is de eerste aanwijzing van een vergadering van de marke, en tevens een aanwijzing dat de Gooise boeren zich niet zomaar een nieuw regime op lieten leggen.
Het is opvallend dat de Hollandse graven de voormalige horige boeren van het Gooi aanduidden met goeden luden van Ghoyland. Het is precies dezelfde benaming die zij gebruikten in hun oorkonden voor het Hollandse stadspatriciaat, met andere woorden, zij moesten rekening met hen houden.
De regels die de Gooiers bedachten ten aanzien van de gemeenschappelijke gronden werden opgetekend in schaarbrieven. Een schaar is een stuk land, groot genoeg om een volwassen koe voedsel te verschaffen. Al snel werd met de term schaar het maximale aantal stuks vee dat een boer mocht laten grazen op de meenten bedoeld. De Gooise boeren die hun vee op de meenten brachten werden scharenden genoemd, in tegenstelling tot zij die dat niet deden; de niet-scharenden, die echter niet van hun recht af zagen. Allengs vielen onder het zogenaamde schaarrecht vele andere zaken, die niets meer met vee te maken hadden, zoals het steken van turf (voor brandstof), het kappen van riet en biezen (voor de mandenmakerij), het kappen en sprokkelen van hout uit het bos (het maken van hekken, timmerhout) en de jacht.
De eerste schaarbrief (1404)
Aan het begin van de vijftiende eeuw besloot graaf Albrecht (1389-1404) dat het tijd was voor een nadere regeling. Gedurende de veertiende eeuw had de vergadering van de Gooise marke besloten delingen toe te staan van bepaalde gemeenschappelijke gronden. Deze werden tot bouwland gemaakt (ontgonnen). Albrecht verleende zijn goedkeuring aan de eerste schaarbrief, een overeenkomst tussen de gemene waerscip van Goylant (dat zijn de Gooise markegenoten) en de stad Naarden. Naast enkele praktische zaken, zoals het aanstellen van schaarzetters, werd bepaald dat de gemeenschappelijke gronden tot in de eeuwigheid ongedeeld dienden te blijven ( ... ongedeelt sal blijven tot ewgen daghe ... ), behalve de al overeengekomen ontginningen.
De gerechtigden
De Gooise markegenoten waren gebaat bij het tot staan roepen van de verdere opdeling van gemeenschappelijke grond, zij het dat zij daarvoor wel eerst iets anders. moesten regelen. Iets wat zij al lang wisten, dachten en altijd al zo hadden gevonden; zij waren de enigen die de gemeenschappelijke gronden mochten gebruiken.
Op het eerste gezicht valt uit de eerste schaarbrief niet duidelijk op te maken dat de gemeenschappelijke gronden alleen bestemd waren voor de Gooise markegenoten. Hoogstens kan men vaststellen dat het schaarrecht verbonden was aan het bezit van een boerenbedrijf. Er heerste aldus onduidelijkheid. De uitvaardiging van twee nieuwe schaarbrieven, respectievelijk in 1442 en 1455, maakte daar een einde aan. Het gebruik van gemeenschappelijke grond in het Gooi werd een geërfd recht, dat van vader op zoon overging. Bovendien moest men een boerenbedrijf voeren in het Gooi. De marke weerde in steeds duidelijker omschrijvingen nieuwkomers, en het lidmaatschap werd een persoonlijk recht.
De marke krijgt een naam : Stad en Lande van Gooiland
De naam Stad en Lande van Gooiland komt voor het eerst voor in 1534. Zetel was Naarden, maar meer dan bijeenkomen en schaarzetters aanwijzen deed men niet. als er iets op schrift moest worden gesteld liet men dat over aan een geestelijke. De stukken werden opgeborgen in een kist en bewaard in het stadhuis van Naarden.
De eerste resolutie (besluit) van de Vergadering Stad en Lande' komt uit 1590. In 1650 werd begonnen met een eigen resolutieboek. De vergadering ging zich bezighouden met zaken als regels tot gebruik van de meenten en heiden. De gerechtigden of markegenoten werden in deze vergadering vertegenwoordigd, met andere woorden, zij woonden deze niet meer bij zoals in vroeger tijden.
Hoofdstuk II
De lijst en kaart van 1708-1709
Begin achttiende eeuw waren de verhoudingen tussen gerechtigden en niet-gerechtigden nog steeds onduidelijk Een zekere Francois Hinloopen bevond zich eind zeventiende eeuw op een stuk land genaamd Oud-Bussem, waar eens een boerderij met schaarrecht had gestaan. Er waren twee nieuwe boerderijen op gebouwd. Eén op de plek van de door de Fransen platgebrande boerderij, één daarnaast. Alleen de eerste boerderij verkreeg schaarrecht, op basis van de idee dat het aan de grond verbonden was. Daarin woonde Michiel Hinlopen, de oom van Francois. Francois Hinlopen wilde uiteraard hetzelfde recht voor de nieuwe boerderij. Hij betaalde daarvoor een jaarlijkse vergoeding, maar in 1705 weigerde hij de betaling. Het schaarrecht zou hem net als de andere Gooiers toe moeten vallen. Daarop liet hij zijn beesten grazen op de meent, zonder betaling en zonder recht. De schaarmeesters grepen in en verklaarden zijn vee verbeurd. Dat noemde men 'schutten'. Hinlopen diende een aanklacht in, en deed dat op basis van de eerste schaarbii ef Achteraf is duidelijk waarom. De eerste schaarbrief was het minst duidelijk in Me de gemeenschappelijke gronden mocht gebruiken en verbond bijvoorbeeld het schaarrecht aan het bezit van een boerenbedrijf (zie pag. 8). Tevens beriep hij zich op het dubbele schaarrecht van de hofstede Oud-Bussem, verkregen in 1570. Echter, naast het feit dat Francois Hinlopen geen man uit man geboren Gooier was (hoe vreemd dit ook mag klinken), woonde hij niet in de boerderij waar eens de hofstede Oud-Bussern had gestaan, maar in eentje daarnaast. Hij had dus geen poot om op te staan. In 1711 en 1713 kreeg Francois Hinlopen respectievelijk van het Hof van Holland en de Hooge Raad ongelijk. In het kielzog en op instigatie van Francois Hinlopen waren er nog een aantal bewoners en landbezitters uit het Gooi die als gerechtigden erkend wilden worden. Grote problemen doemden op voor de rechtmatige erfgooiers. Hinlopen had nogal wat invloed in hogere kringen en er werd zelfs door de overheid bepaald dat de rechten van de erfgooiers door hen zonder grond aangematigd waren. Nu kwamen de erfgooiers in beweging. Zij dienden een verweerschrift in, met de woorden: 'dat niemant de gemeente mag bewyden, dan een erfgoyer wiens voorouders het recht tot den veldslag op de gemeente door haar gedane en bewese diensten aan de Graven hebben bekomen'.
Al met al bleven de zaken onduidelijk voor zowel de overheid als de leden van de Gooise marke (of Stad en Lande van Gooiland). Er werd om duidelijkheid gevraagd en besloten tot het maken van een kaart van Gooiland waarop precies te zien zou zijn waar de marke (=gemeenschappelijke) gronden lagen. Daarnaast moest een lijst van gerechtigden opgesteld worden.
Voordat de kaart klaar was lag de lijst er al. Hierop prijkten 1088 namen, als Boelhouwer, Kos en andere nu nog veel voorkomende Gooise namen. De lijst gold sedertdien als grondslag en wie gekwalificeerd wilde worden als erfgooier moest bewijzen nakomeling te zijn van een van de 1088 mannen. In 1709 kwam de kaart gereed, ver vaardigd door de landmeters Justus van Broeckhuysen en Freye Klaasz Boelhouwer. In 1719 ontstond een nieuw geschil. Dit maal ging het om de grenzen tussen Utrecht
en het Gooi. Er werd opnieuw besloten een kaart te maken. Een van de landmeters had de kaart van 1709 al eens gecorrigeerd. In 1723 kwam een tweede en herziene versie in handen van Stad en Lande en deze is te zien op de tentoonstelling. (Cat. nr. K.l.) De markegronden beslaan hier 6732 Rijnlandse morgen (een morgen is in feite de hoeveelheid land die een boer kon verbouwen in een dagdeel), omgerekend 5732 hectare.
In al zijn ijver om als niet erfgooier schaarrecht te verkrijgen schonk Hinlopen de erfgooiers de ideale mogelijkheid om voor eens en voor altijd de rijen te sluiten en de gemeenschappelijke gronden voor zichzelf te houden. We zagen dat Hinlopen zich beriep op een oud stuk, de eerste schaarbrief, die hem de argumenten gaf zijn zaak voor het gerecht te brengen. De erfgooiers op hun beurt beriepen zich op de daaropvolgende schaarbrieven en leken aan het kortste eind te trekken.
Hoofdstuk III
Toename van het aantal niet-scharenden
De koptienden
Uit de periode 1500-1800 is een rijke bron overgeleverd, het zogenaamde koptienden-archief Het is te danken aan notaris Albertus Perk (1795-1880), die ook verantwoordelijk is geweest voor de bewaring van andere belangrijke Gooise archiefstukken, Het grootste deel van het koptienden-archief bestaat uit gaderboeken uit de jaren 1502-1835. jaar in jaar uit geven deze boeken de eigenaren van de bouwlanden en een deel van de weilanden.
De koptienden werden geïnd van bouwland, dus niet van de gemeenschappelijke gronden. Oorspronkelijk waren de koptienden gewone tienden, een kerkelijke belasting die een percentage van het op het veld staande gewas bedroeg. De tienden moeten op zekere tijd omgezet zijn in een betaling van een vaste hoeveelheid rogge en gerst, afgemeten aan de hoeveelheid bouwland die men in bezit had. Men berekende dit in koppen: een kop was de hoeveelheid graan waarmee een schepel land (ongeveer een achtste hectare) kon worden ingezaaid. De Gooise koptiende bedroeg 5 kop graan per schepel land, of 20 kop per morgen. De koptienden werden in 1280 niet aan Holland overgedragen, maar behoorden toe aan de Heren van Nijenrode, van oudsher Eltense leenmannen. De benden werden van alle bouwlanden in het Gooi geïnd, zelfs van stukken grond in Loosdrecht en Kortenhoef Uit een onderzoek van Janse is gebleken dat rond 1840 degenen die landbouw bedreven, en dus koptiende betaalden, bijna allen erfgooier waren. Dat is ook logisch. Wanneer men geen recht zou hebben op gebruik van gemeenschappelijke grond (als niet-erfgooier), dan zou het niet rendabel zijn een agrarisch bedrijf te voeren in een voor de landbouw ongunstig gebied als het Gooi. Het bestaan van een groot aantal niet-scharenden wijst hier ook al op; zij moesten hun brood met ander werk verdienen, zoals de visserij, lakennijverheid (Naarden), textiel (Hilversum) en katoennijverheid en tapijtweverij. Janse heeft door bestudering van het koptienden-archief (gaderboeken) kunnen vaststellen dat de bevolking van Hilversum zich steeds meer op de textiel ging toeleggen en die van Huizen op de visserij. Belangrijk is hierbij dat zowel de textielnijverheid als de visserij, zich ontwikkelden van een nevenactiviteit in combinatie met de landbouw tot een volwaardig specialisme. Op de lijst van 1708 stonden ook al 624 niet-scharenden! Desondanks verloochenden de niet-scharenden hun afkomst niet. Sommigen konden dan wel haringen kaken of kleden weven in plaats van het scharen van vee, zij bleven erfgooier, die met evenveel energie als de scharenden vasthielden aan hun rechten.
Hoofdstuk IV
De negentiende eeuw; delingen en strijd
De delingen van 1836 en 1843
De negentiende eeuw wordt ook wel de eeuw van de markeverdelingen genoemd (tenminste, in de kring van lieden die zich met marken bezighouden). Onder invloed van de Verlichting kwam men op het idee Middeleeuwse instellingen als gilden en marken op te doeken. De overheid trachtte in 1809 bij wet de opdeling van gemeenschappelijke grond te stimuleren. Enerzijds om de ontginning van woeste gronden te bevorderen, anderzijds vanwege een veel trivialere reden; de opbrengst zou de schuldenlast waarmee Willem 1 (1772-1843) opgezadeld zat, kunnen verminderen. Uiteraard kwam men ook in het Gooi terecht
Gelijk met dit voornemen van de overheid kwam een belangrijke vraag naar boven ; hadden de boeren of markegenoten eigendoms - dan wel gebruiksrechten op de gemeenschappelijke gronden? In heel Nederland werd dit vraagstuk min of meer opgelost, behalve in het Gooi. Dat is ook niet zo vreemd. Van kindsbeen af is deze vraag gesteld, maar nimmer afdoende beantwoord. We herinneren ons een proces in de vijfbende eeuw, waar voor het eerst een soortgelijke vraag werd gesteld. Het zou nog tot 1912 duren voordat een en ander werd opgelost.
Wanneer men markegronden wilde opdelen, of liever gezegd ontginnen of tot bouwland maken, dan had men de instemming van de meerderheid der vergadering nodig. Aldus togen de erfgooiers op 23 januari 1811 naar de Grote Kerk te Naarden om over de voorgenomen delingen te beraadslagen. De erfgooiers verklaarden zich eensgezind tegen de delingen.
De overheid kreeg uiteindelijk toch wat zij wilde, getuige de delingen van 1836 en 1846; stukken gemeenschappelijke grond uit het Gooi. In ruil schonk zij de Gooise marke het volle eigendom over het grootste deel van de gemeenschappelijke gronden. Deze overeenkomsten zorgden voor een kleine stortvloed aan geschriften waarin de rechtspositie e van de erfgooiers werd beschreven. Dit gebeurde niet alleen uit belangstelling. De ingenieur Backer had met zijn brochure Iets over Gooiland iets heel anders voor ogen. Backer zag zijn ontginningsplannen gedwarsboomd in 1846, en besloot middels het geschrift toch een en ander voor elkaar te krijgen. Ook eerder genoemde Albertus Perk klom in de pen. Hij schreef een Verslag omtrent den oorsprong der gebruiksrechten op de heiden en weiden in Gooiland. Er werden allerhande kwalificabes aan de Gooise marke toegekend, zoals grondheerlijke marke, vrije marke enzovoort. Zelfs heden ten dage zijn er nog onzekerheden en discussiepunten omtrent de rechts~ positie van de erfgooiers. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de grondslagen van de Gooise marke in de Eltense periode liggen (968-1280). Echter in tegenstelling tot heden was het probleem in de negentiende eeuw urgent, en moest dus opgelost worden.
Wanordelijk bestuur
Met de toenemende vestiging van 'buitenlui' in het Gooi gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw was het slechts afwachten totdat zij door zouden dringen in de gemeentebesturen, en daarmee in de vergadering van Stad en Lande. Het gevaar bestond dat erfgooiers door niet-erfgooiers bestuurd zouden worden. Bovendien werden de belangen van de boeren niet goed behartigd. De markegenoten werden niet meer in een vergadering bijeen geroepen om het handelen van het markebestuur te controleren, zoals gebruikelijk was in de Middeleeuwen. Tevens was de vergadering Stad en Lande niet meer op de juiste manier samengesteld. De bestuurders werden niet meer gekozen en als schaarmeesters aangesteld, maar kwamen voort uit de stad en de dorpen. Deze traden meer op als beheerders, waren weliswaar erfgooier, doch men kan geen twee heren dienen. Verkoop van stukken heide was aan de orde van de dag, maar dat schaadde de scharenden niet, en de nietscharenden roerden zich niet of nauwelijks.
Harmen Vos is het haasje
Hoe onbenullig het schieten van een haas ook lijkt, het zette de hiervoor geschetste zaken in volle gang. Eind negentiende eeuw was Harmen Vos op jacht gegaan, of misschien had hij toevallig zijn geweer in de aanleg in ieder geval schoot hij een haas dood. Harmen beging hiermee een overtreding: de jacht op de gemeenschappelijke gronden was verpacht aan de kroon. Harmen werd voor het gerecht gebracht en daar verklaarde hij zich onschuldig. Hij had immers op 'eigen grond' een haas geschoten en bovendien verklaarde hij dat Stad en Lande niet bevoegd zou zijn geweest de jacht te verpachten. Ook hier greep men terug op regelingen en bepalingen uit een ver doch vers in het geheugen gelegen verleden.
De Grote Raad van Mechelen had in 1474 besloten dat het jachtrecht uitsluitend aan de landsheer toeviel. In 1657, een goede anderhalve eeuw later, besloot Stad en Lande dat voor het eerst is goetgevonden en verstaan, dat niemand in Gooylandt sal mogen eenige jacht gebruyken, of schieten, ten sy dat hy t'recht hebbe van de gemeente (=marke)'. Aldus kleefde aan het erfgooierschap het recht van de jacht. Stadhouder Willem IH (1650-1702) stak een stokje voor het jachtrecht van de erfgooiers. In 1796 verkregen de erfgooiers dit recht terug. Echter, de vergadering Stad en Lande had, zoals gezegd, het jachtrecht verpacht aan de overheid en daarmee broodroof gepleegd op Harmen en diens medejagers. Er werd een rechtelijk kunstje opgevoerd. Strafrechtelijk werd Harrnen veroordeeld, civielrechtelijk niet, zodat enerzijds Stad en Lande verlost was van een langdurig proces, anderzijds Harmen verder kon jagen.
Een erfgooier doodgeschoten
Het incident met de haas van Harmen lijkt op het eerste gezicht nogal onschuldig, maar wordt ernstiger wanneer we de daarop ontstane conflicten bezien. In 1900 werd een vergadering belegd van ontevreden erfgooiers. Onder leiding van Machiel Janszoon Majoor werd besloten dat de Vergadering Stad en Lande niet langer het bestuur over de gemeenschappelijke gronden zou hebben. Het was tijd voor een nieuw bestuur, geheel toegewijd aan de belangen van de erfgooiers. De nieuwe partij, al snel onder leiding van Floris Vos, stond haaks tegenover de oude Vergadering van Stad en Lande. Op de schaardag van 1903 (de dag waarop de beesten naar de meent werden gebracht, waarna een bedrag of schaargeld verschuldigd was aan de schaarmeesters, die vervolgens de beesten van een brandmerk voorzagen) weigerde Hendrik van Chris Smit' het verschuldigde schaargeld te betalen. Het vee van Hendrik ging zonder brandmerk de meent op. De burgemeester van Blaricum ging over tot een radicaal middel. Hij gaf een door hem opgetrommeld detachement soldaten het bevel tot vuren. Hendrik werd getroffen en liet het leven. Zijn laatste woorden schijnen geweest te zijn: 'Ze zullen je op je eigen grond niet doodschieten. Dat durven ze niet’. Of de soldaten de moed hadden te vuren of die juist niet hadden om een bevel te negeren, laten we in het midden. Het trieste voorval leverde de erfgooiers alleen een martelaar op, maar nog geen oplossing voor hun problemen.
Floris Vos en diens aanhangers waren des duivels en vastberaden de strijd voort te zetten. Het bestuur van de nieuwe partij werd nu Hoofdbestuur van de Berechtigden tot de gemeene heiden en weiden van Gooiland genoemd. Zij stelden bijvoorbeeld hun eigen meentmeesters (daarvoor schaarmeesters/zetters genoemd) aan. Het was de inleiding voor meerdere conflicten.
Voor de volgende schaardag kon (1904), begrijpelijk alleen maar gevreesd worden. De oude vergadering liet onder protest het vee toe op de meenten, en elke boer betaalde schaargeld aan zijn eigen partij. De schaardag verliep rustig. Het was weer de Burge~ meester van Blaricum die zich niet bij de nieuwe verhoudingen wenste neer te leggen. Niet gebrandmerkte beesten werden door de burgemeester ter hulp ingeroepen rijkspolitie verwijderd. Waarschijnlijk even koppig als zijn opponent lief Floris Vos zich bij deze gelegenheid arresteren. In 1905 leek de winst te gaan naar de oude partij. De overheid schaarde zich achter de oude vergadering en de nieuwe partij moest betalen of het vee elders laten scharen. Het lukte de nieuwe partij om zestig koeien illegaal op de meenten te brengen, het lukte ingehuurde krachten van de oude vergadering ze er weer af te jagen; vervolgens liep het vee buiten de hekken, er volgden woordenwisselingen en vechtpartijen, kortom, de zaak vroeg om ingrijpen van hogerhand.
Hoofdstuk V
De erfgooierswet van 1912.
De erfgooierswet van 1912 is een unicum. Waar andere marken opgehouden waren te bestaan, voerde de Tweede Kamer een speciale wet in die het voortbestaan van de Gooise marke waarborgde.
In eerste instantie kreeg de nieuwe partij de wind van voren. De ministers van Binnenlandse zaken en Justitie noemden de oppositie (de nieuwe partij) een stel ontevreden erfgooiers, wier actie onwettig was. Evenwel waren zij bereid een bijdrage te leveren aan de oplossing van het geschil. Al snel keerden de zaken. De door de erfgooiers aangevoerde feiten werden erkend en er moest een speciale wet in het leven worden geroepen. Tijdens het ontwerp van de wet moest de overheid onpartijdigheid in acht nemen. Dit deed zij niet. De zaak duurde maar voort en toen er een nieuw kabinet aantrad zag men opnieuw de noodzaak in het geschil op te lossen. Nu kwam de moeilijkheid naar voren hoe men de Gooise marke moest duiden. De Gooise marke paste in geen enkel opzicht in het bestaande recht! Deze constatering maakt duidelijk waar nu al die onenigheid vandaan kwam.
De jurist Gratama ging aan de slag en voegde bij zijn wetsontwerp een geschiedkundige bijlage. Er moest rekening gehouden worden met de belangen van vier groepen: De Vergadering of oude partij, De Gemeenten of nieuwe partij, de scharenden en de niet-scharenden (de markegenoten).
De wet van 1912 kende aan een Vereniging Stad en Lande van Gooiland de eigendom toe van de gemene weiden en heiden. Het doel van de vereniging was het bevorderen van de welvaart van de erfgooiers in het bijzonder en die van Gooiland in het algemeen, met de nadruk op het landbouwbedrijf Voorzitter werd Emil Luden, de 'commandant van Stad en Land'.
Ook nu was het belangrijk de voorwaarden tot lidmaatschap te regelen. Aan het erfgooierschap als zodanig werd niet getornd.
Om op de jaarlijks opgestelde ledenlijst te komen moest men aan de volgende voorwaarden voldoen:
- men moest bewijzen af te stammen van een erfgooier, in mannelijke lijn, Mens naam ook al op eerder opgemaakte lijsten stond.
- men moest wonen in een der Gooise gemeenten.
- men moest meerderjarig zijn en boven dien van het mannelijk geslacht.
Bij dit alles moest men vermelden of men wel of niet schaarde. Scharenden waren zij die een boerenbedrijf hadden, gehuwd waren, eigen erf of stalling bezaten en daar regelmatig eigen vee of paarden in lieten vertoeven. Zij die schaarrecht ontleenden aan hofsteden werden ook tot de vereniging toegelaten. Daar hoefden zij geen erfgooier voor te zijn.
Aldus werd de positie van de erfgooiers bij wet geregeld. Hoe tegenstrijdig het ook mag klinken, het was tevens de eerste aanzet tot ontbinding en opheffing van de aloude instelling.
Het bestuur
De wet van 1912 hield rekening met de voorgeschiedenis. Het bestuur van de vereniging Stad en Lande zou dankzij de wet niet meer bestaan uit niet-erfgooiers, maar uit echte erfgooiers.
Er was naast een bestuur een vergadering, bestaande uit scharenden en niet-scharenden. Zij hadden gelijk stemrecht. In de loop der tijd was het aantal niet-scharenden enorm toegenomen. Het was niet rendabel voor iedereen om een boerenbedrijf te voeren, en velen zochten hun heil in andere beroepen (zie boven). Zij hielden evenwel hun recht als erfgooier levend. Een probleem zou zijn dat de niet-scharenden automatisch een meerderheid zouden verkrijgen bij eventuele stemmingen. Daarom werd de vergadering een beperkte bevoegdheid toegekend. In plaats van de schaarbrieven werden nu 'reglementen van gebruik en genot voorgelegd aan de vergadering, naast de jaarlijkse rekening en de verantwoording. De vergadering moest hier zijn goedkeuring aan geven. In feite stond de vergadering, dus de eigenlijke markegenoten, buitenspel. Bij afkeuring van de jaarrekening kon het bestuur hogerop gaan en deze aan Gedeputeerde Staten voorleggen.
In het bestuur waren zes zetels vrijgehouden voor de Gooise gemeenten: Blaricum, Laren, Huizen, Bussum, Hilversum en Naarden. Bovendien kozen de scharende erfgooiers uit die gemeenten een vertegenwoordiger, de niet-scharenden mochten twee leden aanwijzen. Een laatste lid, de voorzitter, werd door de Kroon benoemd. In totaal maakt dat vijftien bestuursleden.
Hoofdstuk VI
De ontbinding van een 'onstoffelijk cultuurmonument
De wet van 1912 was een wet voor de scharenden. De niet-scharenden konden niet of nauwelijks meer profiteren van hun erfgooierschap. Het enige wat nog iets zou opleveren was de verkoop van grond en radicaler, de ontbinding van de vereniging. Het mag duidelijk zijn dat de scharenden daar weinig zin in hadden. Zij hoefden daar voorlopig ook niet voor te vrezen. De wet bood op dat punt voldoende bescherming. Niet alleen moest voor een ontbinding goedkeuring aan de Kroon worden gevraagd, daarnaast moest de helft van de leden goedkeuring verlenen, en de helft van de scharenden! Bovendien was aan de niet-scharenden het recht van initiatief ontnomen, met andere woorden, alleen het bestuur tezamen met veertig scharende leden kon een voorstel tot ontbinding indienen.
Het is niet verwonderlijk dat de groep nietscharenden aanspraak begon te maken op geldelijke uitkeringen. Voor de scharenden was alles prima geregeld. De grootte van de schaar was opgetrokken van zeven naar zestien beesten, de meenten waren aanzienlijk verbeterd en in blokken verdeeld, zodat het vee niet meer dwars door elkaar liep, en bovendien had Stad en Lande de zorg voor het onderhoud van weiland, hekken en sloten op zich genomen. De niet-scharenden zagen al het binnenkomende geld verdwijnen in dit soort zaken en waren het beu.
Toen in 1933 de heiden en delen van de bossen aan de Stichting Goois Natuurreservaat werden verkocht melden zich veel zogenaamde 'slapende' erfgooiers; er viel namelijk voor het eerst wat uit te keren. Iedere gerechtigde (men heeft een genealoog te hulp moeten roepen om de afkomst vast te stellen of te controleren) ontving een bedrag van ruim vijfhonderd gulden. Het is gemakkelijk voor te stellen wat dat in die tijd (crisistijd) betekende voor de erfgooiers. Sindsdien stelde het bestuur een presentiegeld in voor elke erfgooier die op de vergadering verscheen.
Macht door Recht
De wet van 1912 en de verkoop van heide en bos zorgde er voor dat de Vereniging Stad en Lande van Gooiland zich voornamelijk bezig kon houden met de scharenden, zij die het boerenbedrijf uitoefenden. Blijvend was de ontevreden groep nietscharenden. Door hen werd al in 1922 een belangenvereniging opgericht, met als naam Macht door Recht. Voornaamste doel was het verkrijgen van voordeel van het erfgooierschap, met andere woorden, uitkeringen zoals in 1933. Door de toenemende bevolking en daarmee de woningnood kreeg Macht door Recht in de jaren vijftig een uitgelezen kans haar jarenlange herhaalde voorstel tot ontbinding nieuw leven in te blazen. De engen van Hilversum en Bussum waren grotendeels al opgeofferd aan woningbouw en vele lieden in het Gooi beoefenden een ander beroep dan landbouwer of veehouder. Het aantal scharenden liep met de jaren terug.
Feitelijke ontbinding
Het was zo langzamerhand wel duidelijk geworden. De hamvraag werd gesteld en er werd een commissie van onderzoek ingesteld. Men koos voor ontbinding om een aantal voor de hand liggende redenen; de boeren waren al veel akkerland kwijt en misten delen van de meenten, bovendien zou de woningbouw nog eens meer dan de helft van de meenten opeisen. Belangrijk is ook het minimumbestaan van veel kleine boeren. Er moesten, voordat men tot ontbinding over kon gaan, wel wat wijzigingen in de wet van 1912 worden aangebracht, maar het tij was niet meer te keren. Bijna alle erfgooiers stemden in met de ontbinding, vooral de niet-scharenden. In juli 1971 gaven de scharenden en de niet~scharenden hun goedkeuring. In 1972 werd de ledenlijst bevroren; nadien zou er geen 'echte' erfgooier meer bij kunnen komen. Een nieuwe tweedeling ontstond onder de scharenden. Ongeveer de helft van hen koos voor een uitkering in geld, de zogenaamde 'wijkers', de anderen konden voor een relatief laag bedrag delen van de meent in bezit krijgen, de 'blijvers'.
Het was juridisch niet zo gemakkelijk om een oeroude instelling als de Gooise marke, erfgooiersorganisatie of Vereniging van Stad en Lande van Gooiland te ontbinden. Daarnaast bestond natuurlijk de twijfel of het verantwoord was een instelling van die ouderdom, met een zo rijke historie, wel op zou kunnen doeken. Veel erfgooiers stemden met pijn in het hart voor ontbinding.
De jurist Moorman van Kappen noemde de erfgooiersorganisatie een 'onstoffelijk cultuurmonument. We kunnen ons hier alleen maar bij aansluiten.
Het is wat stil geworden rond de erfgooiers. De tentoonstelling "Het land van de erfgooiers' hoopt de belangstelling weer wat aan te wakkeren. Er zijn de laatste jaren geen studies meer verschenen over het Gooi of de erfgooiers. Er is echter nog veel te doen. Nog vijf jaar en dan bestaat de Stichting Stad en Lande vijfentwintig jaar..
Literatuurlijst
Abrahamse, C.M., e.a. (red), Ach Lieve Tijd. Duizend jaar het Gooi en de Gooiers (Zwolle, 1993)
Enklaar, D.Th., Middeleeuwse rechtsbronnen van Stad en Lande van Gooiland. Werken der vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het oud-Vaderlandse recht, deel 3 (Utrecht, 1932).
Enklaar, D.Th. & de Vrankrijker, AJ.C., Geschiedenis van Gooiland 1-111 (Amsterdam, 1939-41).
Janse, K.P.J., De koptienden als bron voor de economische geschiedenis van het Gooi, 1500-1850, in: Economisch -en sociaal-historisch jaarboek (deel 55, Amsterdam, 1992). pp. 36-71.
Kist, N.C. Het necrologium en het tijnsboek van het adellijk jufferenstift te Hoog-Elten, in: Nieuw archief voor kerkelijke geschiedenis inzonderheid van Nederland, band 11 (1854), pp. 136-175.
Kos, HA, De exploitatie van het goederenbezit van het adellijk jufferenstift te Hoog-Elten (968-ca. 1450). Klassieke hoven in de Noordelijke Nederlanden? (ongepubliceerde doctoraal-scriptie Vakgroep Middeleeuwse Geschiedenis, Universiteit van Amsterdam, 1996).
Kos, H.A., De Gooise marke. Opvolger van de curtis Nerdinklant in: Tussen Vecht en Eem. Tijdschrift voor regionale geschiedenis (december, 1996) pp. 195-200.
Kos, HA, Van der Scharinge. De Middeleeuwse schaarbrieven van de Gooise marke, in: Tussen Vecht en Eem. Tijdschrift voor regionale geschiedenis (september, 1997).
Leupen, P.H.D., De Erfgooiers: vrij of onvrij? Een probleem nader bekeken, in: Tussen Vecht en Eem. Tijdschrift voor regionale geschiedenis (september, 1995) pp. 135-139.
Palmboom, E.N., De Gooise koptienden, tiend of tijns?, in: Tussen Vecht en Eem. Tijdschrift voor regionale geschiedenis (december, 1993) pp. 188-195.
Slicher van Bath, B.H., Studiën betreffende de agrarische geschiedenis van de Veluwe in de Middeleeuwen, in: A.A.G. Bijdragen 11 (1964) pp. 13-78.
De Vrankrijker, AJ.C., Stad en Lande van Gooiland. Geschiedenis en problemen van de erfgooiers 968-1968 (Bussum, 1968).*
De Vrankrijker, A.J.C., Nieuwste geschiedenis van Gooiland 1925-1975 (Schiedam, 1976).*
* De auteur is met betrekking tot de nieuwe tijd ernstig schatplichtig aan Dr. A.J.C. de Vrankrijker.
De foto's bij dit historisch overzicht zijn afkomstig uit het archief van de Stad en Lande Stichting tenzij anders vermeld.
_________________________
Het wapen van Stad en Lande van Gooiland
____________________________________
Artikel van Drs. Anton Kos, met zijn toestemming, op deze weblog gezet
door F.J.J. de Gooijer
------------------------------------------
http://gooijer.netfirms.com/
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl/
Voor afbeeldingen en foto's, zie:
http://gooiland.vijftigplusser.com/
De Gooise Marke (English)
http://socserv.mcmaster.ca/~econ/ugcm/3ll3/laveleye/PrimProp21.htm
Labels: Gooise geschiedenis






